Geschiedenis van de kaars
Door de eeuwen heen heeft kaarslicht een grote rol gespeeld. Men kan teruggaan tot het graf van de Egyptische farao Toet-Anch-Amon. In degraftombe van Toet-Anch-Amon (14e eeuw voor Chr.) zijn kandelaars (of toortshouders) aangetroffen.
De Etruriërs
Een ontwikkeld volk in Midden-Italië, (nu Toscane), enkele eeuwen voor Christus (ca. 1000 tot de Ie eeuw voor Christus) gebruikten als verlichting een touw gedrenkt in pek, olie of vet. Italië is vermoedelijk de bakermat van de kaars geweest. Er zijn aanwijzingen dat al veel eerder kaarsen voor verlichting werden gebruikt.
De Romeinen
Ook in de Romeinse tijd bleek de kaars zeer belangrijk. De Romeinse schrijver Apuleius maakte bijvoorbeeld tussen “sebacei” - vetkaarsen en “cerei” - waskaarsen systematisch onderscheid. Het gebruik van deze lichtbron gaat hier terug tot op de Etrusken. Constantijn, de eerste christen keizer, gebruikte kaarsen o.a. bij Paas plechtigheden. Koning Alfred de Grote (849-899) liet tijdmetingkaarsen uit bijenwasvervaardigen. Zes van deze kaarsen brandden in 24 uur op. In de Romeinse tijd verschijnt de kaars definitief ten tonele. Vet , was en olijfoliediende als brandstof.
Romeins olielampje
Fakkels, de laterna en olielampjes
Fakkels werden slechts bij speciale gelegenheden gebruikt, zoals bij bruiloften en begrafenissen. Voor de gewone huisverlichting gebruikte men kaarsen en olielampjes. Er bestonden ontelbare olielampjes, maar ze kwamen allemaal op hetzelfde neer: een oliereservoir, dat van achteren in een handvat eindigde en van voren voorzien was van een tuit, waaruit een lampenpit, een draad van hennep of papyrus stak. In het midden was een opening om de olie in te gieten. Ook de Laterna werd veel gebruikt. Deze zag eruit als onze lantaarn. Het vlammetje van de kaars of olielamp werd toen beschermd door een omhulsel van hoorn of doorschijnende dierenhuis. Later werd dit glas.
De middeleeuwen
Een belangrijke tijd voor de kaars waren de middeleeuwen. De kaars was toen de voornaamste bron van kunstverlichting. Kaarsenmakers waren verenigd in het Kaarsenmakergilde. De gewone kaars werd gemaakt van vet (talg), de kerkkaars van bijenwas. De vetkaarsen brandden lang niet zo mooi als de waskaarsen. Een vetkaars was zacht, walmde, gaf roet, droop altijd wat en gaf geen aangename geur (als gevolg van het ontstaan van acroleïne). De pit was gemaakt van getwijnde katoendraden, waarvan het verkoolde uiteinde van tijd tot tijd afgeknipt(gesnoten) moest worden.
Gouden tijden
In de Middeleeuwen braken er gouden tijden aan voor het kaarslicht en voor de kaarsen makers. Overal in Europa werden machtige gilden gesticht. In die tijd maakt men kaarsen door een aantal vlas- of katoenpitten, die op enige afstand op een stokje hingen, te dompelen in gesmolten vet of was. Deze handelingen werden herhaald tot de kaarsen de gewenste dikte hadden. Omstreeks 1800 maakte men ook wel gebruik van gietvormen. Probleem was dat de kaarsen hier moeilijk uit te verwijderen waren.
Kaarsenmakers in de middeleeuwen
Bijenwaskaarsen waren uitsluitend bestemd voor de edelen en godsdienstige doeleinden. De burgerij moest genoegen nemen met goedkopere talk- of vetkaarsen. De brandkwaliteit liet in die tijd veel te wensen over. De kaarsen waren door hun grondstoffen vrij zacht. Ze walmden, roetten, dropen en stonken zelfs. Het verkoolde eind van de pit moest van tijd tot tijd afgeknipt oftewel gesnoten worden. De kaarsen verlichtten de wereld, de lange nacht van vele Middeleeuwen en daarna de lichtere nacht van de Renaissance en Verlichting. Lodewijk de Veertiende liet aan zijn hof kaarsfestijnen organiseren. Hier mocht nooit een kaars voor de tweede maal aangestoken worden. De restanten waren het verval voor de hovelingen en hofdames.
Het meten van tijd
Daarnaast ging men ook kaarsen toepassen voor het meten van tijd, waarvoor men een aantal kaarsen van gelijke lengte gebruikte. Iedere kaars werd gemerkt met strepen op onderling gelijke afstand, waarbij de afstand tussen elke merkstreep overeen kwam met een door ervaring verkregen tijdsperiode. De kaarsen brandden regelmatig genoeg om als een klok gebruikt te worden. Kaarsklokken werden eind 18e begin 19eeeuw voor het eerst gebruikt. Er waren 12- en 24-uurskaarsen verkrijgbaar met horizontale ringen die de uren aangaven.
Koning Alfred de Grote (849-899) liet tijdmetingkaarsen uit bijenwas vervaardigen. Zes van deze kaarsen brandden in 24 uur op.
Tegenwoordig ziet men nog wel kaarsen met een urenverdeling op de zijkant. Dit zijn meestal opdrukken van papier, dit papier gaat als lont werken, waardoor de kaars tevens aan de buitenkant gaat branden. Hierdoor wordt de brandduur verkort, en gaat de kaars druipen wat de brandduur nog korter maakt. Daarom is deze soort kaarsen niet goed als ‘klok’ bruikbaar.
Technologische vernieuwing
Eind 18e eeuw komt de visserij op de potvis met een alternatief voor vet en was. Kaarsen konden worden bereid uit een vettige stof uit de kop van de potvis, spermaceti of walschot genoemd, die voornamelijk bestaat uit cetylpalmitaat. Deze stof werd bereid door uitgekookt walvisvet bij koud weer (6 graden C) te laten uitkristalliseren. Hiervan produceerde men de smeerkaars.
De kaarsenmakerij was het onderdeel van de chemische industrie dat in de negentiende eeuw qua schaal het meest veranderde. Aan het begin van die eeuw werden de kaarsen in Nederland vooral gemaakt door kleinschalige ambachtslui in eenmansbedrijfjes, terwijl er enkele decennia later een zeer grote kaarsenfabrieken zijn, met een afzet van miljoenen kaarsen.
Zelfs in deze moderne tijd zijn kaarsen niet weg te denken. Met hun warme licht geven ze altijd een gezellige sfeer. Ze geven een rustige sfeer voor een meditatief moment en verjagen de duisternis. Er zijn momenteel kaarsen in vele vormen, kleuren en zelfs geuren. Voor elke gelegenheid of stemming. Er worden zelfs magische krachten aan toegewijd.







